Skip to main content

Met welke factoren dient men ook al weer rekening te houden?

Een tijdje geleden schreven wij al eens over dit onderwerp in het kader van de populaire slimme doorbel. Wanneer men eigendommen wil beschermen door een vorm van cameratoezicht moet men kiezen voor een manier die het minst inbreuk maakt op de privacy van anderen. Ook al brengt de camera grotendeels het eigendom in beeld, dit rechtvaardigt onvoldoende het feit dat ditzelfde beeld op de achtergrond een deel van het perceel van de buren in zicht kan brengen, waaronder de oprit, voortuin, voorgevel en voordeur.

Uit een recente analyse van de relevante jurisprudentie blijkt dat door rechters, in verschillende zaken, in ieder geval ook kijken naar een aantal andere vaste factoren. Hoewel het hierbij dus in beginsel gaat om een algehele afweging tussen het recht op bescherming van eigendommen en het recht van privacy, omvat de rechterlijke analyse een aantal andere aspecten:

  • Subsidiariteit:

Louter de wens om eigendommen te beschermen vormt onvoldoende rechtvaardiging om de inbreuk op het recht op privacy te schenden. Dit geldt evengoed wanneer een minder zwaar middel openstaat. In het bijzonder mist een rechtvaardigingsgrond als een aantal praktische oplossingen kunnen worden bedacht waarmee dat doel kan worden bereikt op een zodanige wijze, dat het perceel van anderen geheel niet meer in beeld zal zijn. Er moet, met andere woorden, geen andere mogelijkheid bestaan voor de bescherming of beveiliging van de gefilmde eigendommen.

  • De werking van de camera:

Uit de rechtspraak volgt tevens dat het van belang is hoe de camera werkt. Start de camera met filmen nadat geluid of beweging is gedetecteerd, biedt de camera op relatief eenvoudige en onmerkbare wijze in ieder geval de mogelijkheid van – stelselmatige – observatie, dan is er sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De voortdurende dreiging dat voornoemde plaatsvindt, brengt reeds een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich mee. Daarbij wordt evenwel rekening gehouden en waarde gehecht aan verklaringen van andere buren, deskundigen of getuigen.

  • Identificatie, afstand en herkenbaarheid:

Tevens is van belang gebleken of de camera daadwerkelijk personen kan identificeren of niet. Daarbij is irrelevant of de camera tot 1.50 meter geschikt is voor identificatie, tot 3 meter geschikt is voor herkenning en tot 5 meter geschikt is voor waarneming. Wanneer het gaat om waarneming van personen die bekend zijn voor de waarnemer, zal (veel) eerder sprake zijn van herkenning dan wanneer het gaat om de vastlegging van onbekenden. Voor de beoordeling van deze factor kan tevens worden gekeken naar de kadastrale tekeningen, die kunnen onder meer van belang zijn voor de vaststelling van de afstand tussen de camera en de gefilmde objecten.

  • De beeldkwaliteit, obscure areas en software:

Rechters lijken bovendien rekening te houden met de aspecten die zien op de beeldkwaliteit, het gebruik van zogenoemde ‘obscure areas’ en de algemene software. Vooral indien de camera van hoogwaardige kwaliteit is en een groot aantal pixels omvat, waarmee heldere en scherpe foto’s of beelden kunnen worden gemaakt. Ditzelfde geldt voor de toepassing van zwarte of witte balken waarmee andermans eigendomen of personen kunnen worden geblurd. Alhoewel dit kan worden gebruikt levert dat niet zonder meer een rechtvaardigingsgrond op, bovenal omdat dit relatief gemakkelijk kan worden gewijzigd. Tot slot nemen rechters in overweging hoe het camerasysteem gebruikt wordt. Zo maakt een klein beeldscherm dat aan de muur in de gang hangt minder inbreuk dan een app die voortdurend geraadpleegd kan worden, 24-uursopnames maakt en waarmee de camera live op afstand is te besturen.

Al met al veel factoren om rekening mee te houden en in de praktijk een niet altijd makkelijke opgave.

Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u eens van gedachten wisselen dan kunt u contact opnemen met één van onze vastgoedrecht advocaten of via e-mail d.vanzanten@valegis.com / nummer: 06-58987775.

× Hoe kan ik u helpen?