2 minuten leestijd

Of toch niet?

De Wet Franchise is inmiddels een half jaar een feit. In de praktijk constateren we dat het onderhandelen over nieuwe franchiseovereenkomsten nogal wat voeten in aarde heeft. Veel franchiseorganisaties hebben inmiddels een franchiseovereenkomst die is aangepast aan de Wet Franchise maar er zijn er toch ook nog de nodige organisaties die nog niet zover zijn.

Alhoewel daar natuurlijk verschillende redenen voor kunnen zijn, zien we, meer dan eens, dat de discussies met franchiseverenigingen en hun advocaten dikwijls stranden vanwege, ogenschijnlijke, tegenstrijdige belangen.

Een goed voorbeeld daarvan is het niet kunnen komen tot de vaststelling van drempelwaarden in het licht van instemmingsrecht. Dit kan erin resulteren dat er geen drempelwaarden worden vastgesteld en deze dus nul zijn. Franchiseverenigingen zijn dan content met het behaalde “onderhandelingsresultaat”. Immers, de franchisegever zal voor alle investeringen instemming moeten krijgen van de franchisenemers.

Een vergelijkbare discussie zien we bij het concurrentiebeding. Ondanks het feit dat op grond van de Wet Franchise een concurrentiebeding is toegestaan mits het aan een aantal voorwaarden voldoet, blijkt ook dit een onderwerp van discussie te zijn met als inzet het concurrentiebeding volledig uit de franchiseovereenkomst te schrappen. Ook hier met de gedachte dat het een winstpunt is als de franchisenemer na het einde van de franchiseovereenkomst vrij is om te gaan en te staan  waar hij wil.

Zie hier de ogenschijnlijke tegenstrijdige belangen. Uit het oog lijkt te worden verloren dat beide partijen – zowel franchisegever als de franchisenemers – er een, groot, belang bij hebben als de franchisegever de mogelijkheid, ruimte en vrijheid heeft om te innoveren en te pionieren. Sterker nog, dat wordt op grond van de Wet Franchise zelfs van de franchisegever – terecht – verwacht. Immers, dat is nu juist de meerwaarde van je aansluiten bij een franchiseorganisatie; het wiel niet opnieuw zelf te hoeven uitvinden.

Daar hoort bij dat een franchisegever niet voor iedere euro die hij aan investering vraagt terug hoeft naar de franchisenemers respectievelijk de franchisevereniging. Én het feit dat de formule beschermd wordt door een concurrentiebeding opdat de zittende franchisenemers niet geconfronteerd worden met voormalige franchisenemers die één op één hun activiteiten voortzetten.

Kort en goed; het is een gemeenschappelijk belang om de franchisegever dat te laten doen waar hij goed in is: een formule ontwikkelen.

Wilt u vrijblijvend met ons van gedachten wisselen over dit dan wel enig ander (franchise) gerelateerd onderwerp? Neem dan contact op met Myrthe S.J. Steenhuis (m.steenhuis@valegis.com of 06-13371930) of een van de andere leden van ons franchiseteam.