2 minuten leestijd

In kort geding draait het veelal om voorlopige geboden of verboden tot feitelijk handelen. Hoewel de lat hoog ligt, kunnen ook geldvorderingen in kort geding worden toegewezen.

Voorzieningenrechters –  dat zijn de rechters in kort geding – geven een voorlopig oordeel. Een definitief oordeel kan worden verkregen bij de bodemrechter. Voorzieningenrechters zijn terughoudend met het toewijzen van geldvorderingen. Een partij die betaling van (een voorschot op) een geldsom vordert zal moeten stellen en onderbouwen dat:

  • Het bestaan van de vordering en de omvang ervan voldoende aannemelijk zijn;
  • Er sprake is van een spoedeisend belang bij betaling.

De voorzieningenrechter zal de belangen van partijen afwegen, waardoor een eiser die vooruitloopt op die afweging zal motiveren dat een restitutierisico niet aan de orde is.

Het onderbouwen van een belang bij een voorlopende voorziening is niet eenvoudig, zo blijkt uit het arrest van 22 december 2020 van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2020:3976). Dit hof oordeelde dat het “zinloos” is een vordering tot betaling van een koopsom van EUR 4.900.000,- voor aandelen toe te wijzen, als partijen het erover eens zijn dat degene die moet betalen daarvoor de middelen niet heeft en dat hij/zij de daarvoor benodigde financiering niet kan verkrijgen. Een veroordelend kort geding vonnis is dan – zelf als de vordering en de omvang ervan voldoende aannemelijk zou zijn – in feite een ‘papieren tijger’, waardoor er geen belang bestaat bij een voorlopige voorziening in afwachting van de beslissing van de bodemrechter.

Een kort geding klinkt als een ‘quick and easy fix’ voor niet-betwiste facturen – en dat kan het uiteraard ook zijn. Toch kan het voorkomen dat een langere bodemprocedure de meest efficiënte oplossing blijkt. Heeft u een vordering en wilt u weten wat de meest geëigende route is om deze in rechte te verhalen? Neem gerust contact op met Angela Schwegler (a.schwegler@valegis.com).

Angela Schwegler

Angela Schwegler

Angela studeerde cum laude af aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en is sinds 2016 advocaat. Zij heeft zich bij een middelgroot advocatenkantoor in Amsterdam gespecialiseerd binnen het ondernemingsrecht in brede zin.