Skip to main content

In een eerder artikel schreven wij over de prejudiciële vraag die door de rechtbank aan de Hoge Raad is voorgelegd met betrekking tot de toepasselijkheid van het schriftelijkheidsvereiste en de bedenktermijn bij de aankoop van een bouwkavel. De casus die tot deze vraag leidde, was als volgt.

In augustus 2021 had de verkoper een perceel te koop aangeboden op Funda. In de advertentie stond dat het om een bouwkavel ging. De bouwkavel was volgens de publiekrechtelijke bestemming ook bestemd voor de bouw van een woning. De koper had vrij snel een bod uitgebracht op de bouwkavel ter hoogte van € 550.000, dat door de verkoper werd geaccepteerd. Na het verzenden van een conceptovereenkomst trok de koper zich echter terug. De verkoper verkocht de bouwkavel uiteindelijk in maart 2022 voor € 465.000 aan een derde. De verkoper startte vervolgens een procedure waarin hij een schadevergoeding vorderde gelijk aan het prijsverschil, namelijk € 85.000. De verkoper stelde zich op het standpunt dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand was gekomen nu volgens hem het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 lid 1 BW niet van toepassing was. De rechtbank vroeg bij wijze van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad of een perceel grond met de bestemming wonen (Wro) een tot bewoning bestemde onroerende zaak is of bestanddeel daarvan in de zin van artikel 7:2 lid 1 BW, en zo ja, onder welke voorwaarden of omstandigheden.

De AG concludeerde eerder dat bij de aankoop van een bouwkavel – dat bedoeld is voor het bouwen van een woning – geen schriftelijkheidsvereiste en bedenktermijn geldt. De reden daarvan is dat volgens de AG moet worden gekeken naar de verplichtingen die over en weer zijn aangegaan. Bij het leveren van een bouwkavel heeft de verkoper zich verplicht tot het geven van “een onbebouwde onroerende zaak” en niet tot het geven van een bebouwde onroerende zaak. In dat geval mist art. 7:2 BW steeds toepassing, aldus de AG.

De Hoge Raad heeft onlangs arrest (ECLI:NL:HR:2023:1755) gewezen en volgt de conclusie van de AG. De Hoge Raad benadrukt dat de aankoop van een perceel grond zonder woning door een consument niet valt aan te merken als de koop van een woning in de zin van art. 7:2 BW. Hierdoor is het schriftelijkheidsvereiste en de bedenktermijn niet van toepassing. Dit geldt zelfs als het perceel een publiekrechtelijke bestemming ‘wonen’ heeft, als bouwkavel wordt verkocht of als de verkoper weet dat de koper het plan heeft om er een woning op te (laten) bouwen.

Voor de praktijk is het van belang om te realiseren dat er snellere gebondenheid bestaat aan een koopovereenkomst met betrekking tot een bouwkavel dan het geval bij de aankoop van een woning. Daarbij komt dat de consumentkoper ook geen drie dagen bedenktijd heeft bij de aankoop van een bouwkavel, tenzij tussen partijen anders is overeengekomen.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Neemt u dan gerust contact op met de advocaten van het vastgoedteam van Valegis Advocaten.

× Hoe kan ik u helpen?