1 minuten leestijd

De feitelijke toestand van de hinder blijft belangrijk bij de toetsing van de onrechtmatigheid.

Op basis van artikel 5:37 BW mag een eigenaar van een erf -en ook de gebruiker NJ 1992/280– geen hinder aan andere eigenaren/gebruikers toebrengen, die onrechtmatig is. Als voorbeelden van hinder worden genoemd: het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, maar ook het onthouden van licht of lucht.

Of voornoemde hinder vervolgens daadwerkelijk onrechtmatig is, hangt volgens de rechtspraak af van de aard en de ernst en de duur van de hinder, de toegebrachte schade en de omstandigheden waaronder de hinder plaatsvindt.

Burengeschillen worden dus beheerst door voornoemde factoren, waarbinnen een belangenafweging wordt gemaakt. Ook komt naar voren of de mogelijkheid -en bereidheid- aanwezig is om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. Zie bijvoorbeeld NJ 1972/278NJ 1981/227NJ 1991/476NJ 1999/69 en NJ 2001/108)

Dat een bouwwerk misschien bestuursrechtelijk is toegestaan, maakt nog niet dat het civielrechtelijk niet onrechtmatig kan zijn. In een meer recente procedure bij het Hof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2018:4212) was sprake van een niet-vergunningplichtig bouwwerk. In hoeverre een overheidsvergunning invloed heeft op de beoordeling van de aansprakelijkheid van degene die overeenkomstig de vergunning handelt, maar daarbij schade of hinder toebrengt aan een derde, hangt af van de aard van de vergunning en het belang dat wordt nagestreefd, een en ander dus in samenhang met de omstandigheden van het geval.

Wilt u meer weten over burenrecht gerelateerde kwesties? Neem dan contact op met Deborah van Zanten via e-mail d.vanzanten@valegis.com of nummer: 0658987775.