1 minuten leestijd

Op 1 juli komen de wettelijke vakantiedagen van het voorgaande jaar te vervallen wanneer de werknemer die dagen niet heeft opgenomen. Of toch niet?

Voor de duidelijkheid noem ik nog maar weer even dat er twee ‘soorten’ vakantiedagen bestaan, namelijk de ‘wettelijke vakantiedagen’ en de ‘bovenwettelijke vakantiedagen’. Met de eerste categorie worden de 20 vakantiedagen (bij een fulltime dienstverband) bedoeld die in de wet aan de werknemers worden toegekend. Alle dagen die door de werkgever daar bovenop worden gegeven, zijn natuurlijk de ‘bovenwettelijke’.

Voor deze categorieën gelden verschillende regels: de wettelijke vakantiedagen vervallen, 6 maanden na het jaar waarin deze zijn opgebouwd. Per 1 juli dus. De bovenwettelijke vervallen niet, die blijven 5 jaar geldig. Wanneer door de werknemer vakantie wordt opgenomen, dan zijn dat de dagen die het eerst zouden vervallen of verjaren. Er wordt dus op ingezet dat de werknemer zoveel mogelijk van zijn/haar vakantie gebruik kan maken.

Toch gebeurt het regelmatig dat de werknemer tegen die vervaltermijn op 1 juli aanloopt en de vraag opkomt of de openstaande dagen daadwerkelijk komen te vervallen. Dat is zeker niet altijd zo. Het Hof van Justitie van de EU heeft in 2018 al bepaald dat de werkgever zich ervoor moet inspannen dat de werknemer daadwerkelijk vakantie opneemt (ECLI:EU:C:2018:874). Als de werkgever dat niet voldoende heeft gedaan, vervallen de vakantiedagen niet (en verjaren ze na 5 jaar, net als de bovenwettelijke dagen).

Het is daarom verstandig, als werkgever, om de werknemer minimaal eenmaal per jaar schriftelijk te wijzen op de resterende vakantiedagen en daarbij te waarschuwen voor verval wanneer deze vakantiedagen niet worden opgenomen. Vervolgens moet de werkgever dit allemaal goed in de administratie verwerken, want het ontbreken van of fouten in de vakantieadministratie, komen voor rekening van de werkgever.

Heeft u uw vakantie al ingepland?